Wat er precies gebeurt
Een laserprinter smelt tonerpoeder in het papier met twee verhitte rollen — de fuser — die rond de 180 graden Celsius werken.
Inkjet-fotopapier heeft een polymeercoating die is ontworpen om vloeibare inkt op te vangen en snel te laten drogen. Die coating is niet gemaakt voor die temperatuur en kan zacht worden of smelten.
Het gevolg varieert van een vel dat vastloopt tot coating die aan de fuserrol blijft plakken. Dat laatste is een reparatie die bij een consumentenlaserprinter zelden rendabel is.
Wat je wél kunt gebruiken
Laserfotopapier (ook wel "laser gloss" of "colour laser paper") is speciaal ontwikkeld voor deze techniek: hittebestendige coating, meestal 120 tot 200 g/m². Het staat er expliciet op de verpakking.
Gestreken laserpapier van 120 tot 160 g/m² is de meest gebruikte optie voor folders en presentaties. Geeft een egaal, licht glanzend resultaat.
Gewoon zwaarder printpapier van 120 tot 160 g/m² werkt altijd en geeft bij grafieken en logo's een prima resultaat.
Twijfel je over een papiersoort? Controleer of "geschikt voor laserprinters" of "for laser printers" op de verpakking staat. Staat er alleen "inkjet", gebruik het dan niet.
Wat je van het resultaat mag verwachten
Ook met het juiste papier haalt een kleurenlaser geen fotokwaliteit. Toner ligt als een laagje op het papier in plaats van erin te trekken, waardoor je bij close inspectie altijd raster ziet.
Waar laser wél sterk in is: egale kleurvlakken, logo's, grafieken en presentaties. Die zien er op gestreken laserpapier scherp en professioneel uit, en beter dan op een inkjet.
Wil je echte fotokwaliteit, dan heb je een inkjet nodig. Zie beste printer voor foto's.


